Sluiten
RadarLimburg
Armoede
Introductie
Toekomst
Feit
Geschiedenis
Opinie
Introductie

Het gaat fantastisch met onze economie en het lijkt een onmogelijke opgave om alle vacatures in te vullen. De keerzijde van de medaille in Limburg: 67.000 volwassenen en 15.000 kinderen leven in armoede. En ja, dat is hoger dan het landelijk gemiddelde.

Wat is dat eigenlijk armoede? Kun je ook arm zijn als je een iPhone hebt? Of ben je pas arm als je in een kartonnen doos op straat slaapt? Wat dat laatste betreft: niemand die weet hoeveel daklozen er precies in Limburg zijn.

RadarLimburg ging op onderzoek uit en ontdekte dat armoede stil is en geen gezicht wil hebben. We tonen onze bevindingen in film, audio, interview, columns, vlog, podcast, scenario, en reportages.

Toekomst

We denken te vaak dat het opheffen van armoede ontzettend veel geld kost. Maar het lijkt goedkoper om de armoede op te lossen dan die voort te laten bestaan.

Feit

Het valt nog niet mee om het gezicht van de armoede te tonen. Zeker, we weten precies hoeveel mensen in armoede leven maar bijvoorbeeld niet hoeveel mensen er op straat zwerven.

Geschiedenis

Armoede is van alle tijden. De bestrijding ervan ook. Soms wordt het geld goed ingezet bij projecten, soms komt het nooit op de plaats van bestemming. 

Opinie

Onder agrariërs tellen we de meeste miljonairs, maar steeds meer boeren komen terecht onder de armoedegrens. Soms met trieste gevolgen van dien. 

Sluiten

''Je werkte en je was arm''

Hoogste levenstandaard ooit
Hoogste levenstandaard ooit
Auteur
Monique van de Ven
Bron
Dr. Willibrord Rutten, Sociaal Historisch Centrum voor Limburg
Datum
07-01-2019
5
Open item
Reageer op dit item

De mijnen leverden Parkstad midden vorige eeuw goud geld op. Maastricht, Roermond en Weert deden in de Middeleeuwen goede zaken met de productie en handel van wollen stoffen in de vorm van lakens. Venlo was een belangrijke handelsstad. Maar goed beschouwd was Limburg eeuwenlang een arm gebied met veelal kleine boerenbedrijfjes. ‘’Nooit is de levensstandaard zo hoog geweest als nu’’, zegt dr. Willibrord Rutten, onderzoeker bij het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg.

De mijnen leverden Parkstad midden vorige eeuw goud geld op. Maastricht, Roermond en Weert deden in de Middeleeuwen goede zaken met de productie en handel van wollen stoffen in de vorm van lakens. Venlo was een belangrijke handelsstad. Maar goed beschouwd was Limburg eeuwenlang een arm gebied met veelal kleine boerenbedrijfjes. ‘’Nooit is de levensstandaard zo hoog geweest als nu’’, zegt dr. Willibrord Rutten, onderzoeker bij het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg.

En de gele hesjes dan? Wat zeggen die over de huidige armoede? ‘’De echte armen lopen niet in een geel hesje’’, zegt Rutten. "De dragers zijn mensen die bang zijn om wat te verliezen. De achterban van de PVV en 50Plus samen. Zij zagen hun pensioenen jarenlang niet groeien en vinden de globalisering bedreigend. Tegenover de gele hesjes staan de hoogopgeleiden die globalisering omarmen en kansen grijpen. Het zijn twee culturen die met de ruggen naar elkaar toe staan. De kloof tussen hen wordt groter. Maar het zijn niet de armsten die daar tegen in het geweer komen. Als je naar de geschiedenis kijkt, is het altijd de ‘arbeidersaristocratie’ die de barricaden opgaat. De vakbeweging begon bij de diamantbewerkers, de best betaalde arbeiders in de 19e eeuw. In de 20-ste eeuw was er geen arbeider die zoveel verdiende als de Limburgse mijnwerker.’’

Het is bijna vijftig jaar geleden, maar de klap van de sluiting van mijnen, dreunt nog steeds na. Elke tien jaar nog wordt ze herdacht. ‘’Wat helemaal geruisloos is gegaan, is de sanering van de landbouwsector. In 1950 telde Limburg 30.000 landbouwbedrijven, nu zijn er nog 2000 over, inclusief kinderboerderijen….’’ In enkele tientallen jaren tijd zijn duizenden bedrijven van de kaart geveegd door ruilverkaveling en intensieve veehouderij. Alles moest groter.

Dertig jaar armoede

Eeuwenlang verdienden de meeste Limburgers de kost met landbouw. Ze waren knecht of loonwerker of hadden zelf een klein boerenbedrijf. Beetje land, enkele stuks vee. Wat ze zelf niet opaten, werd verkocht. Toen eind 19e eeuw de markt werd overspoeld door Amerikaans graan, kelderde de graanprijs op de Europees markt. ‘’Veel boeren kwamen geweldig in de problemen. De kleine keuterboeren maar ook zij die vijf tot tien hectaren in hun bezit hadden. Dat vinden we nu niks, maar dat was toen veel. Dagloners en knechten werden afgedankt. Het hele gezin werd ingezet om het hoofd boven water te houden.’’ De landbouwcrisis duurde dertig jaar. Waren Limburgers in 1860 de langste mensen van Nederland, begin 20-ste eeuw stagneerde die lengte door de armoedige omstandigheden waarin de bevolking leefde.

De kerk ontfermde zich niet alleen over zielenheil van de boeren en tuinders maar stimuleerde hen ook om zich te organiseren. ‘’De boeren en tuinders richtten coöperaties op waardoor ze niet meer afhankelijk waren van commerciële kredietverschaffers. Zij hebben zichzelf aan hun haren uit het moeras getrokken. Vanaf 1910 ging het beter. De komst van kunstmest gaf veel hogere producties per hectare en mensen gingen meer vlees eten, fruit en eieren. Dan gaat zo’n economie draaien en krijg je een soort vliegwieleffect."

Uitgeknepen

Het klinkt als een tijd die je beter kon doorbrengen in een stad, zoals Maastricht. ‘’De aardewerkindustrie in Maastricht bracht werkgelegenheid maar geen welvaart. Regout had het personeel voor het uitkiezen en de lonen waren laag. Hij deed niets aan de huisvesting voor zijn arbeiders. Ze woonden onder de rook van de fabriek in opgesplitste burgermanhuizen. De huizen waren opgekocht en opgesplitst door middenstanders. Zij wilden via huisjesmelken hun pensioenvoorziening regelen. De arbeidersgezinnen werden uitgeknepen. Een gezin had één of twee kamers ter beschikking en bestond vaak uit zes personen of meer. Iedereen in het gezin werkte. Man, vrouw, kinderen en toch waren de mensen arm. Working poor.’’

Big spenders

Armoede regeerde in de stad en op het platteland. Limburgers gingen op Duitse akkers werken terwijl de Duitsers zelf geld gingen verdienen in de industrie van het Ruhrgebied. ‘’Limburgers waren de gastarbeiders van toen. Ze woonden in schamele onderkomens in erbarmelijke omstandigheden. De kerk gaf de Nederlandse kolonie zielzorg. De monsieurs Nolens en Poels zagen de omstandigheden van de Limburgers met lede ogen aan en wisten dat het van groot belang was om werkgelegenheid te creëren. Toen Duitse ingenieurs ontdekten dat er steenkool in de grond zat, zagen zij kansen. Poels was ook bekend met de wantoestanden in Maastricht en de Waalse kolenmijnen en wist dat er fatsoenlijke woningen nodig waren om sociale onrust buiten de deur te houden. Mijnondernemers hebben hele buurten uit de grond gestampt en zorgden ook voor andere voorzieningen: een ziekenhuisje, groen kruisgebouw, kerk, een katholieke school, een pensioenvoorziening. Daarmee maakten ze mensen ook afhankelijk, want als je ontslagen werd, moest je je huis verlaten.’’ Voor die tijd waren het riante onderkomens met tuinen, waar ook ruimte was voor een moestuin, een varken of geit. Het huishouden werd gerund door de vrouw die in tegenstelling tot de aardewerkindustrie in Maastricht, niet werkte. Voor het geld hoefde dat ook niet.

''De Limburgse mijnwerkers waren de best betaalde arbeiders in Nederland. Het waren ook big spenders. Ze konden zich dingen permitteren die de directeur van de lagere school in Schin op Geul zich niet kon veroorloven. Ze hadden een grammofoon, een zwartwit televisie, Volkswagen kever, maakten een reisje langs de Rijn en kochten voor hun vrouw een bontjas die ze madammen hadden zien dragen in Luik. Symbool van de welvaart is het glaspaleis Schunck in Heerlen, een heel modern warenhuis voor die tijd. Ook colporteurs hadden ontdekt dat je in de mijnstreek moest zijn. De mijnwerkers kochten vaak op afbetaling.’’  

Vervuiling

Keerzijde van het werken in de mijn was het gevaar. In de Nederlandse mijnen zijn 1455 mannen om het leven gekomen. De grote risico’s gaven veel samenhorigheid. De sluiting van de mijnen rond 1970 was een mentale en economische dreun. Ongeveer 45.000 mijnwerkers en 30.000 werknemers in toeleveringsbedrijven verloren hun baan. De overheid beloofde vervangende werkgelegenheid maar dat lukte voor de meeste mensen niet. ‘’Telematica zou het worden. Er stonden al grote IBM computers voor de salarisadministratie. Heerlen was er vroeg bij, té vroeg. En mijnwerkers school je niet zomaar om tot computerdeskundigen. De streek zette ook in op de maakindustrie, maar verloor het werk aan automatisering en lage lonen landen die net in opkomst waren.’’ 

De gevolgen van de mijnsluiting etteren volgens Rutten nog steeds door. ‘’De kinderen van mijnwerkers met diploma’s en talent hebben in de jaren tachtig van de vorige eeuw en masse de provincie verlaten. Er wonen nu meer Parkstadters buiten Parkstad dan erin. De achterblijvers zijn vaak lager opgeleid of afgehaakt. Het sociaal demografische gebouw is niet meer in balans. Kinderen die opgroeien in armoede zijn geen goede voorspeller. De levensverwachting in Limburg is lager dan die in Nederland maar in Parkstad helemaal. Dat heeft met achterblijvende welvaart te maken maar ook met vervuiling van de Waalse industrie vroeger, het Ruhrgebied en de schoorstenen van Belgische huishoudens. Belgen verwarmen hun huizen met stookolie, mazout. Soms vult het Maasdal zich met smog die als een deksel op het dal ligt.’

Facade Maastricht

Volgens Rutten heeft Maastricht het meeste geprofiteerd van de overheidsgelden voor Zuid-Limburg. De komst van de universiteit in 1976 heeft de stad veel goed gedaan. Het toerisme levert ook veel geld op. Achteraf was het ook prettig dat de stad in de jaren zeventig geen cent te makken had. Er was geen geld voor grote verkeersaders door de stad en ook niet voor een gloednieuwe campus. De in tact gebleven binnenstad is een toeristische trekpleister en de oude faculteitsgebouwen in de binnenstad werken als een magneet voor studenten. ‘’En zoals de middenstand honderd jaar geleden als pandjesbaas verdiende aan keramiekarbeiders, zo verdienen ze nu aan studenten. Maar verkijk je niet op de pracht en praal van de stad. Maastricht is ook een façade; tien procent van de kinderen groeit er op in armoede.’’      

 

Bijschriften foto's:
Foto 2: Maastricht rond 1915 met een woud van schoorsteenpijpen van de aardewerkfabriek Société Céramique.           
Foto 3: Verpaupering aan de vroegere Raamstraat, omstreeks 1920.
Foto 4: De ruime woningen met tuinen voor mijnwerkers begin 1900.
Foto 5: Glaspaleis Schunck, een modern warenhuis met lift, was het symbool van welvaart.

Foto 6: Bittere armoede in een noodwoning in Sittard rond 1930. Mensen die werden ontslagen of te gebrekkig waren om in een mijn te werken, waren aangewezen op liefdadigheid.

 

 

 

 

Laat hier een reactie achter

Vul onderstaand formulier in om een reactie achter te laten op dit artikel.
Uw reactie wordt eerst door de redactie gecontroleerd, alvorens deze wordt geplaatst bij het artikel.

Naar boven
Copyright 2018 - RadarLimburg - Hoogste levenstandaard ooit - Armoede - Thema's